Door de verkoop van de grond van een tuinbouwbedrijf werd het bedrijf gestaakt. Daarmee kwam er een einde aan het dienstverband van de enige werknemer. In verband met zijn ontslag kenden de eigenaren van het bedrijf de werknemer een gouden handdruk toe. De winst bij de verkoop van de grond bleef onbelast vanwege de landbouwvrijstelling. De inspecteur meende dat een deel van de gouden handdruk niet aftrekbaar was van de belaste winst maar in mindering kwam op de vrijgestelde winst.

De rechtbank stelde vast dat de gouden handdruk een direct gevolg was van de bedrijfsbeëindiging. De gouden handdruk was daarom onderdeel van de stakingswinst. Dat hield niet in dat de gouden handdruk voor een deel moest worden toegerekend aan het vrijgestelde gedeelte van de stakingswinst. Alleen de kosten die direct samenhangen met de vervreemding van landbouwgrond komen in mindering op de landbouwvrijstelling.

De rechtbank was van oordeel dat de gouden handdruk een negatief bestanddeel was van de directe opbrengstwaarde van het bedrijf als geheel, maar niet van de directe opbrengstwaarde van de grond. De gouden handdruk verminderde de landbouwvrijstelling dus niet.