Een stichting zonder winstoogmerk richtte zich op buurt- en clubhuiswerk. Ontmoeting, sociale activering, maatschappelijke hulp en ondersteuning van mensen die in de maatschappij zijn vastgelopen waren de kernpunten. Ter financiering van deze activiteiten exploiteerde de stichting een kringloopwinkel. In de kringloopwinkel worden gratis verkregen gebruikte goederen verkocht. De jaarlijkse opbrengsten van de verkopen lagen tussen de € 20.000 en € 30.000.

Volgens de belastingdienst was de stichting ondernemer voor de omzetbelasting omdat zij zelfstandig een bedrijf uitoefende. De stichting deed een beroep op de fondsenwervingsvrijstelling in de omzetbelasting. Deze vrijstelling houdt in, dat prestaties van bijkomende aard die worden gebruikt om vrijgestelde prestaties te financieren, buiten de heffing van omzetbelasting blijven tenzij sprake is van concurrentieverstoring.

Hof Leeuwarden was van oordeel dat de prestaties van de kringloopwinkel niet van bijkomstige aard waren. De werkzaamheden van de kringloopwinkel waren belangrijk voor de overige activiteiten en stelden de stichting in staat om deze activiteiten ook na het wegvallen van subsidie voort te zetten.