De Successiewet merkt voor de heffing van het schenkingsrecht elke bevoordeling uit vrijgevigheid aan als een schenking. Dat betekent dat, wanneer een bevoordeling uit vrijgevigheid is geconstateerd, schenkingsrecht is verschuldigd.

Een vader kocht samen met zijn vijf kinderen een onroerende zaak. Aanvankelijk zou deze gezamenlijk worden geëxploiteerd, maar uiteindelijk deed vader dit alleen. In ruil voor de afstand van hun recht op participatie kregen de kinderen een optierecht op aandelen in een BV die de exploitatie van de onroerende zaak op zich zou nemen. Vader droeg de onroerende zaak echter niet over aan de BV, maar verkocht deze enkele jaren later met een flinke winst. Na de verkoop van de onroerende zaak ontving ieder van de kinderen van vader een bedrag van ƒ 2.000.000. De belastingdienst merkte deze bedragen aan als schenking. De rechtbank volgde deze opvatting, omdat er geen enkele zakelijke reden was voor deze betalingen.

In hoger beroep ging het om het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht de betalingen aan de kinderen als schenkingen had aangemerkt. De kinderen betoogden dat dit niet het geval was, omdat aan de betalingen een dadingovereenkomst ten grondslag lag. Door de uitvoering daarvan was vader niet verarmd en waren de kinderen niet verrijkt. Door de oorspronkelijke koopovereenkomst, waarbij de kinderen partij waren, hadden zij recht op een belang in de onroerende zaak. De kinderen veronderstelden dat recht via de optierechten op aandelen ook te hebben, omdat vader had toegezegd dat hij de onroerende zaak zou overdragen aan de BV. Deze toezegging deed vader niet gestand door de onroerende zaak zelf te houden.

Hof Amsterdam stelde vast dat de kinderen geen tegenprestatie hadden verricht voor het verwerven van een aandeel in de onroerende zaak en evenmin voor de verkrijging van een belang bij de aandelen in de BV. Volgens het hof  had vader geen verplichting tot financiële compensatie op grond van de optieverlening. Er was geen reden voor vader om zich verplicht te voelen bij wijze van dading aan ieder van de kinderen een bedrag van ƒ 2.000.000 te betalen.