Iedere bestuurder van een vennootschap is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting en de omzetbelasting die de vennootschap verschuldigd is als de vennootschap geen melding heeft gedaan van betalingsonmacht. Een mededeling van betalingsonmacht moet gedaan zijn binnen twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting betaald had moeten worden. Als de melding van de betalingsonmacht op de juiste wijze is gedaan, is een bestuurder aansprakelijk wanneer het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van onbehoorlijk bestuur in een periode van drie jaar voor de melding. Heeft de vennootschap de melding niet of niet op de juiste wijze gedaan, dan geldt een wettelijk vermoeden dat niet betaling van de belastingschuld aan de bestuurder te wijten is. Alleen de bestuurder die aannemelijk weet te maken dat het niet voldoen aan de meldingsplicht niet aan hem te wijten is, heeft de mogelijkheid om het wettelijk vermoeden te weerleggen.

Er is sprake van betalingsonmacht als een belastingplichtige door financiële problemen niet meer in staat is zijn belastingschulden (volledig) te betalen. Als om andere reden dan betalingsonmacht niet wordt betaald, is er geen aanleiding tot aansprakelijkstelling van de bestuurder van een vennootschap. De volgende vraag is dan of er wellicht op een later moment wel sprake is van betalingsonmacht.

In een door de rechtbank Arnhem behandelde procedure was sprake van betalingsonmacht op het moment waarop de vennootschap werd aangemaand om een opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting te voldoen. Volgens de rechtbank moest ook in die situatie worden aangesloten bij de termijn van twee weken. De rechtbank was van oordeel dat de betalingsonmacht tijdig was gemeld. De enige reden voor aansprakelijkheid van de bestuurder in dit geval was aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De belastingdienst moest dat aannemelijk maken, maar slaagde daar niet in. De rechtbank was van oordeel dat de belastingdienst de bestuurder van de vennootschap ten onrechte aansprakelijk had gesteld.