In een procedure over de inmiddels afgeschafte kapitaalsbelasting moest de vraag beantwoord worden of vorderingen voor een financieringsmaatschappij bedrijfsmiddelen waren. Indien dat het geval was zou namelijk de reorganisatievrijstelling voor de kapitaalsbelasting kunnen worden toegepast. Deze vrijstelling gold bij de inbreng van alle bedrijfsmiddelen van één soort binnen een concern in een vennootschap tegen uitreiking van aandelen. De werkzaamheden van de financieringsmaatschappij bestonden uit het aantrekken en ter beschikking stellen van financiële middelen aan een specifieke groepsvennootschap. Hof Amsterdam beschouwde de vorderingen als een product van deze werkzaamheden en niet als dienstbaar aan het productieproces. Deze opvatting is in lijn met een arrest van de Hoge Raad uit 1959. Volgens dat arrest waren hypothecaire vorderingen geen zaken die voor de werkzaamheden van een onderneming werden gebruikt. Vorderingen vormen volgens het Hof een eigen categorie en zijn geen voorraad of bedrijfsmiddel. Dit betekende dat de reorganisatievrijstelling niet van toepassing was.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie, dat tegen de uitspraak van het Hof is ingesteld, ongegrond verklaard. Het oordeel van het Hof, dat vorderingen geen bedrijfsmiddelen zijn, is volgens de Hoge Raad juist.