Ondernemers die met omzetbelasting belaste prestaties verrichten hebben recht op aftrek van voorbelasting die drukt op goederen en diensten die zij afnemen. De aftrek vindt plaats overeenkomstig de bestemming die de ondernemer geeft aan de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting in rekening wordt gebracht.
Voor een onroerende zaak in gemengd gebruik gold op grond van het arrest van het Hof van Justitie EG in de zaak Charles en Charles-Tijmens uit 2005 dat een ondernemer ervoor kon kiezen om de zaak tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen en zo alle in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek te brengen. De keuze voor ondernemingsvermogen kan volgens de wet nog worden gemaakt bij de aangifte over het tijdvak waarin het pand in gebruik werd genomen. Op dat moment kon ook alle omzetbelasting die betrekking had op het pand in aftrek worden gebracht, ook als deze omzetbelasting in eerdere tijdvakken dan het tijdvak van aangifte in rekening was gebracht. Tegenwoordig kan de omzetbelasting slechts naar rato van het voorziene zakelijke gebruik in aftrek worden gebracht.
Volgens de Hoge Raad had een ondernemer die een pand liet bouwen dat werd opgeleverd in maart 2004 recht op aftrek van de hem in 2002 en 2003 in rekening gebrachte omzetbelasting, ook al had hij deze destijds niet in de aangiften over de betreffende tijdvakken in aftrek gebracht. Ten tijde van de oplevering koos de ondernemer ervoor om het pand, dat gedeeltelijk was bestemd voor bewoning en gedeeltelijk voor de onderneming, tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen.


