De minister van Sociale Zaken heeft het wetsvoorstel om de AOW-leeftijd te verhogen van 65 naar 67 jaar ingediend bij de Tweede Kamer. De verhoging vindt plaats in twee stappen. Mensen, die zijn geboren voor 1 januari 1955 blijven op 65-jarige leeftijd recht houden op AOW. Vanaf 2020 tot 2025 ligt de AOW-leeftijd op 66 jaar en daarna op 67 jaar.
In de huidige systematiek bouwt iedere ingezetene van Nederland vanaf de leeftijd van 15 jaar in een periode van 50 jaar het recht op een volledig AOW-pensioen op. De opbouw per jaar in de periode tussen 15 en 65 jaar bedraagt 2% van de volledige uitkering. De uitkering wordt verlaagd met 2% voor ieder jaar dat iemand niet verzekerd is geweest. Ondanks de verhoging van de AOW-leeftijd blijft de huidige opbouwsystematiek. De aanvang van de verzekering schuift op naar 17 jaar.
Het wetsvoorstel is niet beperkt tot de AOW, maar heeft ook invloed op de fiscale behandeling van aanvullende pensioenen. Dat gebeurt door met ingang van 1 januari 2020 de maximaal toegestane opbouwpercentages te wijzigen. Nu geldt een maximum opbouw per dienstjaar van 2% voor eindloonregelingen en van 2,25% voor middelloonregelingen. Door de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 67 jaar ontstaan er twee extra opbouwjaren. Om de pensioenuitkeringen niet te verhogen daalt het opbouwpercentage voor eindloonregelingen naar 1,9. Voor middelloonregelingen wordt het maximale opbouwpercentage 2,15.
Verder wordt de mogelijkheid om via lijfrente te voorzien in aanvullende pensioenen beperkt door de premieruimte te verminderen. Ook dat gebeurt per 1 januari 2020. De premieruimte daalt van 17% naar 15% van de premiegrondslag.
Personen die 42 jaren gewerkt hebben, krijgen straks de keuze om het AOW-pensioen vanaf
65 of 66 jaar te laten ingaan. Een van de voorwaarden om de AOW eerder te kunnen laten ingaan, is dat men nog werkt op het moment van het bereiken van de leeftijd van 65 of 66 jaar. Wie ervoor kiest zijn AOW eerder te laten ingaan, wordt gekort op de hoogte van de AOW-uitkering voor de rest van zijn leven. Omdat het niet mogelijk is om voor iedereen het arbeidsverleden vast te stellen, komt er een overgangsregeling. Deze houdt in dat iemand vanaf 2005 tot aan het bereiken van de leeftijd van 65 of 66 jaar een bepaald aantal jaren moet hebben gewerkt, waarvan de laatste 15 jaren onafgebroken tot aan het bereiken van de leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat.
Ook in de overige wetgeving moet de AOW-leeftijd worden aangepast. De gevolgen voor de sociale zekerheid en voor andere wet- en regelgeving zijn niet in dit wetsvoorstel opgenomen. Deze zullen op een later tijdstip in een Aanpassingswet verhoging AOW-leeftijd aan de orde komen. Daarnaast komt er nog een apart wetsvoorstel met arbeidsrechtelijke aanpassingen.


