Als een ondernemer zijn tot het ondernemingsvermogen gerekende woning naar zijn privévermogen overbrengt moet hij inkomstenbelasting betalen over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de boekwaarde van de woning. Blijft de ondernemer zelf in de woning wonen dan is dat een factor die de waarde van de woning verlaagt. Volgens de Hoge Raad vormt de verkoopwaarde in verhuurde staat dan het uitgangspunt. Wel moet deze waarde worden gecorrigeerd omdat een bewoner in het algemeen een hogere prijs zal willen betalen dan de zuivere prijs in verhuurde staat.
Het beleid van Financiën voor de waardering in bewoonde staat bij een verplichte overgang van de woning naar het privévermogen is in een besluit vastgelegd. Het beleid heeft in de praktijk het karakter van een compromis. De ondernemer moet uiterlijk in de bezwaarfase kiezen voor toepassing van dit beleid. De waarde bewoond voor de woning van een ondernemer met een leeftijd tot en met 60 jaar bedraagt 65% van de waarde in vrije staat. Voor ieder jaar dat de ondernemer ouder is dan 60 jaar komt er 1% bij, tot een maximum van 75% bij een leeftijd van 70 jaar.

Er kan ook een waardedrukkende factor wegens zelfbewoning van toepassing zijn op andere gebouwen die aanhorigheden van de woning zijn. In een arrest uit 2008 heeft de Hoge Raad beslist dat alleen voor de onroerende zaken die ten tijde van de staking min of meer duurzaam voor woondoeleinden werden gebruikt rekening met een waardedrukkende factor kan worden gehouden. Volgens de staatssecretaris van Financiën mag in die gevallen voor de andere gebouwen hetzelfde percentage aan waardedruk worden gebruikt als voor de woning. 

Om praktische redenen heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat bij een vrijwillige overgang van de woning naar het privévermogen de waarde in bewoonde staat wordt gesteld op 80% van de waarde in vrije staat.