Ondernemers kunnen ten laste van de winst een voorziening vormen voor toekomstige uitgaven die hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden voor de balansdatum en aan de periode voor de balansdatum kunnen worden toegerekend, mits er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de uitgaven gedaan zullen worden. De bewijslast hiervoor ligt bij de ondernemer die een voorziening wil vormen.

Een ondernemer voerde als vervanger voor de afgeschafte VUT-regeling een seniorenverlofregeling in. Werknemers van 60 jaar en ouder konden op die manier minder gaan werken. De salarisverlaging bedroeg in procenten de helft van de arbeidstijdverkorting.

Op grond van het matchingbeginsel worden de loonkosten jaarlijks toegerekend aan de verrichte arbeid. In beginsel kan met betrekking tot loonkosten geen voorziening worden gevormd. Er geldt een uitzondering voor de situatie waarin de werknemer geen arbeidsprestatie meer hoeft te verrichten, terwijl de verplichting tot doorbetaling van loon blijft bestaan. In dergelijke gevallen kan een voorziening worden gevormd.

Volgens de rechtbank Arnhem mocht de ondernemer een voorziening vormen. Aan het oorsprongvereiste was voldaan omdat de in de toekomst verwachte loonkosten ten gevolge van de seniorenverlofregeling hun oorsprong vonden in de bestaande arbeidsverhoudingen van werknemers jonger dan 60 jaar. De mogelijkheid dat een werknemer uiteindelijk geen gebruik maakt van de regeling, betekent niet dat niet voldaan is aan het oorsprongvereiste. Wel dient met die mogelijkheid rekening gehouden te worden bij de bepaling van de hoogte van de te vormen voorziening.

Volgens de rechtbank was de seniorenverlofregeling bedrijfseconomisch gelijk te stellen met een gedeeltelijke beëindiging van het dienstverband terwijl de verplichting tot doorbetaling van het loon blijft bestaan. Een gedeelte van de loonkosten veroorzaakt door de seniorenverlofregeling is toe te rekenen aan arbeid die is verricht in jaren vóór het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.