BV 1 leende een bedrag van € 590.000 aan BV 2. Deze BV leende het ontvangen bedrag door aan BV 3, waarin zij een belang van 33% had. Omdat BV 3 de lening niet kon terugbetalen, verkocht zij een aandelenbelang dat zij had in BV 4 aan BV 1. De koopsom werd verrekend met de vordering van BV 1.

De levering van de aandelen BV 4 en de betaling van de koopsom vonden volgens de notariële akte plaats in 2001. In datzelfde jaar wilde BV 1 een vordering op BV 2 ten laste van haar winst afwaarderen. Als argument daarvoor voerde BV 1 aan dat haar oorspronkelijke vordering slechts was verminderd met de werkelijke waarde van de aandelen BV 4 die zij had verkregen. Per saldo bleef er dus een vordering over, die werd afgewaardeerd vanwege de slechte gang van zaken bij BV 2. Hof Den Haag was van oordeel dat uit de overeenkomst van levering bleek dat door verrekening van de koopsom van de aandelen BV 4 de volledige vordering was afgelost. Een latere afwaardering van die vordering ten laste van de belastbare winst is dan niet mogelijk. BV 1 slaagde er niet in te bewijzen dat er nog een vordering bestond na de levering van de aandelen of dat partijen de bedoeling hadden gehad dat slechts een deel van de vordering zou worden gebruikt als koopsom voor de aandelen.