Ondernemers hebben recht op aftrek van omzetbelasting die door andere ondernemers in rekening wordt gebracht voor leveringen of diensten, voor zover zij deze leveringen of diensten gebruiken voor belaste prestaties. De verhuur van onroerende zaken is een vrijgestelde prestatie. Op gezamenlijk verzoek van de verhuurder en de huurder is echter belaste verhuur mogelijk van bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken. Bij gebruik van een onroerende zaak voor belaste verhuur heeft de verhuurder recht op aftrek van voorbelasting; bij vrijgestelde verhuur heeft de verhuurder geen recht op aftrek van voorbelasting. Afhankelijk van de indeling van een onroerende zaak is het mogelijk om deze gedeeltelijk vrijgesteld en gedeeltelijk belast te verhuren. De aftrek van voorbelasting geschiedt dan naar rato van het gebruik voor belaste prestaties.

Een onroerende zaak die bestemd was voor de verhuur was op het moment van levering nog niet geheel verhuurd. Voor zover de zaak verhuurd was, gebeurde dit vrijgesteld van omzetbelasting. Hof Amsterdam was van oordeel dat bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel het nog niet verhuurde deel was bestemd voor vrijgestelde verhuur. De verhuurder had volgens het Hof geen recht op aftrek van omzetbelasting gedurende de periode van leegstand. Dat oordeel is echter volgens de Hoge Raad niet juist. Een ondernemer heeft alleen dan geen recht op aftrek voor zover hij een bedrijfsmiddel gebruikt voor vrijgestelde prestaties. Omdat het leegstaande deel van het verhuurde pand niet werd gebruikt voor vrijgestelde prestaties, had de ondernemer voor dat deel van de op het pand drukkende belasting wel recht op aftrek.

De aftrek van voorbelasting moest worden herzien in verband met de vrijgestelde verhuur van een gedeelte van de vierde etage per 1 juli 2002. Volgens Hof Den Haag moest het verhuurde gedeelte van de vierde etage worden gezien als een afzonderlijk goed. Voor het resterende deel van de etage bleef het recht op aftrek van voorbelasting bestaan.