De premies voor een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule waren in het verleden aftrekbaar. De kapitaalverzekering moest bij uitkering worden aangewend voor de aankoop van een lijfrente, waarna de uitkeringen belast werden. Het niet uitvoeren van de lijfrenteclausule gold als afkoop en had belastingheffing over de volledige kapitaaluitkering tot gevolg.

Een belastingplichtige die zijn kapitaalverzekering met lijfrenteclausule in 2003 af liet kopen, verwerkte de ontvangen uitkering niet in zijn aangifte inkomstenbelasting. De verzekeringsmaatschappij had de belastingplichtige wel schriftelijk geïnformeerd over de fiscale consequenties van de afkoop van de verzekering. De verzekeraar voldeed aan zijn wettelijke verplichting om opgave van de afkoop te doen aan de belastingdienst.

In eerste aanleg werd een aanslag opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Later volgde een navorderingsaanslag over de genoten afkoopsom met een boete van 50%. De belastingplichtige bestreed de navorderingsaanslag niet, maar de boete wel.
In de procedure over de boete stelde de belastingplichtige dat geen navorderingsaanslag en dus geen boete opgelegd had mogen worden wegens het ontbreken van een nieuw feit. Die stelling is volgens Hof Arnhem onjuist. Het ontbreken van een wettelijke grondslag voor navordering is niet van belang voor de beoordeling of een belastingplichtige een beboetbaar feit heeft begaan. Het is evenmin van belang voor de beoordeling van de ernst van het vergrijp of van het verwijt dat de belastingplichtige te maken is.

Het Hof stelde vervolgens vast dat het aan grove schuld van de belastingplichtige te wijten was dat te weinig belasting was geheven en verlaagde de boete tot 25%.