Bij het opleggen van een naheffingsaanslag omzetbelasting legde de inspecteur een vergrijpboete op. De naheffingsaanslag had betrekking over de in een reeks van jaren te weinig aangegeven omzetbelasting. In de jaarrekening was wel een omzetbelastingschuld opgenomen met per periode gespecificeerd de bedragen die te weinig waren aangegeven, maar daar was nooit enige actie op gevolgd. In de procedure die volgde vernietigde de rechtbank de boete onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad. Volgens dat arrest moet de belastingplichtige zelfstandig het verwijt van opzet of grove schuld kunnen worden gemaakt. De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur er niet in was geslaagd om opzet of grove schuld van de belastingplichtige te bewijzen.

In hoger beroep oordeelde Hof Leeuwarden anders. Gezien de jaarstukken wist de belastingplichtige in elk geval medio 2004 dat er over de jaren 2001 tot en met 2003 te weinig omzetbelasting was aangegeven en betaald. Uiterlijk bij de bespreking van de jaarrekening over 2004, waaruit dezelfde omzetbelastingschulden over de jaren 2001 tot en met 2003 bleken, had de belastingplichtige moeten beseffen dat zijn oude adviseur geen suppletieaangifte zou doen.

Ondanks de wetenschap van de omzetbelastingschulden zorgde de belastingplichtige er niet voor dat deze schulden werden betaald. Daarom was sprake van grove onachtzaamheid. Het Hof vond een boete van 25% van de nageheven belasting passend. Het Hof zag geen reden voor een verschil in schuldgradatie tussen de jaren.