De overdrachtsbelasting kent een vrijstelling voor de verkrijging van landbouwgrond. In het verleden werd aan deze vrijstelling als voorwaarde gesteld dat de verkrijging in het belang was van een verbetering van de landbouwstructuur. De vrijstelling gold voor de verkrijging van aangrenzende landerijen en was beperkt tot het oppervlak dat de verkrijger al in eigendom had. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2007 beslist dat voor verbetering van de landbouwstructuur niet nodig is dat de verkrijger de verkregen landerijen zelf bedrijfsmatig exploiteert.

Volgens Hof Leeuwarden was de vrijstelling ook van toepassing op de verkrijging van een perceel door drie broers, die de grond verpachtten aan hun vader. De broers hadden al enkele jaren een aangrenzend perceel in eigendom dat eveneens aan vader was verpacht. Het Hof was van mening dat aan alle gestelde voorwaarden was voldaan. De inspecteur had het beroep op de vrijstelling afgewezen omdat de verkrijging geen invloed had op de landbouwstructuur.