De staatssecretaris van Financiën heeft een nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot aanpassing van de Successiewet ingediend. De nota van wijziging bevat een aantal in de nota naar aanleiding van het verslag aangekondigde wijzigingen. Daarnaast worden enkele verwijzingsfouten hersteld en verduidelijkingen aangebracht. De belangrijkste aanpassingen zijn de volgende.

1. Volgens de wettelijke verdeling gaat de gehele nalatenschap naar de langstlevende echtgenoot en krijgen de kinderen een onderbedelingsvordering op de langstlevende echtgenoot. Deze vorderingen zijn pas opeisbaar bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot. Deze vorderingen dragen een enkelvoudige rente van 6%. Het erfrecht biedt de erflater en in een aantal gevallen de langstlevende echtgenoot samen met de kinderen de mogelijkheid om een andere rente te bepalen. De erfgenamen kunnen ook zonder deze bevoegdheid geldige afspraken maken over een andere rente. Hoewel de tekst van de Successiewet duidelijk lijkt, bestaat er in de praktijk onduidelijkheid over de gevolgen van renteafspraken die na het overlijden van de erflater zijn gemaakt. Daarom wordt voorgesteld de huidige wettekst aan te passen en duidelijk te maken in welke gevallen een renteafspraak tussen erfgenamen een erfrechtelijke verkrijging vormt en in welke gevallen sprake is van een schenking.

Een rentevaststelling die niet in de erfbelasting wordt betrokken, wordt betrokken in de schenkbelasting. Dat is het geval met een renteafspraak die na het verstrijken van de aangiftetermijn voor het successierecht wordt gemaakt.

Door aanpassing van de rente van onderbedelingsvorderingen die zijn ontstaan bij het overlijden van een eerststervende echtgenoot kan de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot op papier worden uitgehold. Dit geldt bij hogere percentages dan 6% samengestelde rente. Bij een rente tot 6% compenseert de rentebijschrijving het gemis aan genot voor de kinderen van de onderbedelingsvordering gedurende het leven van de langstlevende echtgenoot. Voor hogere rentepercentages geldt dit niet.

De waardedruk van het vruchtgebruik van de langstlevende is nihil bij een rente van 6%. Bij een hogere rente kan de waarde van de vordering niet boven nominaal uit komen.

Bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot is er geen verschil in belastbare verkrijging bij de kinderen indien de rente bijvoorbeeld 10% bedraagt ten opzichte van een rente van 6%. Bij het overlijden van de langstlevende echtgenoot leidt een hogere rentelast tot een lagere erfrechtelijke verkrijging. Het bovenmatige deel van de rente wordt voortaan voor de erfbelasting als fictieve verkrijging aangemerkt, zodat de fiscale verkrijging van het kind niet anders is dan wanneer de normrente van 6% zou hebben gegolden.

2. Een rechtshandeling waarbij de overledene partij is geweest kan leiden tot een fictieve erfrechtelijke verkrijging. Deze fictiebepaling wordt nu zodanig aangepast, dat bij een in gemeenschap van goederen gehuwd echtpaar voor beide echtgenoten geldt, ook als slechts één van de echtgenoten als handelende partij is opgetreden.

3. De Hoge Raad heeft recent in een tweetal arresten geoordeeld dat er geen schenking is indien een ouder uit de personenvennootschap met zijn kind treedt en dat kind het aandeel van de ouder in de onderneming op basis van het vennootschapscontract mag overnemen tegen vergoeding van een ‘nog juist lonende exploitatiewaarde’. Het kabinet vindt de gevolgen van deze arresten onwenselijk. Er kan een ongelijke fiscale behandeling voor bedrijfsopvolgingen bij leven en ten gevolge van overlijden ontstaan. Daarom wordt voorgesteld verkrijgingen als deze bij fictie aan te merken als schenking.

4. Latente belastingverplichtingen van een erflater bestaan nog niet ten tijde van diens overlijden en vormen daarom geen schuld van de nalatenschap. De Successiewet 1956 bevat een voorziening voor latente belastingschulden. Ook wanneer de doorschuifregeling wordt toegepast op ter beschikking gesteld vermogen wordt een aftrek voor latente belastingverplichtingen toegestaan. Daartoe wordt artikel 20, vijfde lid, onderdeel a, aangepast.

5. Voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling is vereist dat het lichaam, waarin de erflater of schenker een aanmerkelijk belang heeft, een onderneming drijft. Wanneer dat niet het geval is, maar het lichaam een dochtervennootschap heeft die wel een onderneming drijft, mogen de bezittingen en schulden van de dochtermaatschappij worden toegerekend aan de houdstermaatschappij.