Door de progressie in de tarieven kan de heffing van successierecht na iemands overlijden flink oplopen. Het kan daarom lonend zijn om te proberen successierecht te besparen als het vermogen groter is. De Successiewet bevat mede om die reden een aantal fictiebepalingen. Deze fictiebepalingen hebben als overeenkomst dat zij bepaalde verkrijgingen als erfrechtelijke verkrijging aanmerken, waardoor deze verkrijging belast is met successierecht. Eén van deze ficties heeft tot gevolg dat een verkrijging ten laste van het vermogen van de erflater als gevolg van een rechtshandeling van de erflater met successierecht belast is. Deze fictie is alleen van toepassing binnen de familiesfeer. De erflater moet in verband met de genoemde rechtshandeling tot zijn overlijden het genot hebben gehad van een vruchtgebruik.

De vraag of een in een testament opgenomen legaat tegen inbreng onder deze fictie valt is door de Hoge Raad bevestigend beantwoord.

De rechtbank Haarlem oordeelde onlangs dat de fictie niet van toepassing is op een zogenaamd “ik opa”-testament. In een dergelijk testament legt opa de last op aan zijn erfgenamen (de kinderen) om aan hun kinderen (dus opa’s kleinkinderen) een bedrag schuldig te erkennen. De bedoeling is dat bij het overlijden van de kinderen de kleinkinderen opa’s vermogen grotendeels vrij van successierecht verkrijgen.

In de door de rechtbank behandelde casus had opa zijn enige zoon tot enig erfgenaam benoemd. De zoon was in gemeenschap van goederen getrouwd. Het testament legde aan de zoon de last op om na het overlijden van hemzelf en van zijn echtgenote aan ieder van zijn kinderen een gedeelte van zijn erfdeel uit te betalen. Na opa’s overlijden was de zoon aan zijn kinderen in totaal een bedrag van € 500.000 schuldig. Vervolgens overleed eerst de zoon en daarna zijn echtgenote. Bij haar overlijden had de echtgenote aan ieder van haar kinderen een “ik opa-schuld” van € 83.380. De belastingdienst merkte dit bedrag aan als een fictieve verkrijging van de kinderen.

De rechtbank deelde deze opvatting niet. Niet de echtgenote, maar de zoon was destijds partij bij de rechtshandeling waarbij een deel van de nalatenschap van opa werd schuldig erkend aan de kinderen. De schuldigerkenning raakte wel het vermogen van de echtgenote omdat zij in algehele gemeenschap van goederen was getrouwd, maar dat wil niet zeggen dat zij partij was bij de overeenkomst waarbij haar man de bedragen schuldig erkende.