Werknemers hebben volgens Europese regels recht op een minimale jaarlijkse vakantie van vier weken met behoud van salaris. Het is alleen bij beëindiging van het dienstverband toegestaan om deze jaarlijkse minimale vakantieperiode te vervangen door een financiële vergoeding. De lidstaten van de EG mogen niet van deze richtlijnbepalingen afwijken.
Volgens het Hof van Justitie EG is het de lidstaten wel toegestaan om te bepalen dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vervalt aan het einde van de referentieperiode en/of aan het einde van vastgestelde overdrachtsperiode. De werknemer moet dan wel de mogelijkheid hebben om in een andere periode gebruik te maken van het recht op vakantie met behoud van salaris. Het is niet toegestaan om te bepalen dat vakantierechten vervallen wanneer de werknemer tijdens de gehele referentieperiode of een deel ervan tot aan het einde van zijn dienstverband ziek is geweest, waardoor hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. In dergelijke gevallen dient een financiële vergoeding te worden gegeven, die gebaseerd is op het normale salaris.

In de Nederlandse wet is opgenomen dat een werknemer recht heeft op tenminste vier maal het aantal dagen dat de werknemer per week werkt aan betaalde vakantie. Voor iemand die vijf dagen per week werkt, komt dat neer op vier weken betaalde vakantie. De opbouw van vakantierechten tijdens arbeidsongeschiktheid wordt volgens de Nederlandse wet beperkt wanneer de arbeidsongeschiktheid langer dan zes maanden heeft geduurd. De vraag is, of deze beperking is toegestaan voor zover de werknemer daardoor uitkomt op minder dan vier weken vakantie per jaar.