De verliezen van een commanditaire vennootschap werden volgens de vennootschapsakte gelijkelijk verdeeld tussen de commanditaire en de beherende vennoot. Voor de commanditaire vennoot gold dat hij niet verplicht was om ter dekking van geleden verliezen bedragen te storten boven zijn oorspronkelijke kapitaalinbreng. Verdere verliezen zouden worden verrekend met winstaandelen over latere jaren.

Het totale verlies van de CV over de gehele bestaansperiode bedroeg ƒ 144.374. Dat bedrag was gelijk aan de kapitaalinbreng van de commanditaire vennoot. De inspecteur accepteerde onder verwijzing naar de vennootschapsakte slechts de helft van dit verlies als verlies uit de commanditaire vennootschap voor de commanditaire vennoot. De commanditaire vennoot wenste de rest van het verlies in 2001 ten laste van zijn inkomen te brengen.

De beherende vennoot had zijn negatieve saldo van de kapitaalrekening, dat was ontstaan door zijn aandeel in het verlies, niet aangezuiverd. Na beëindiging van de CV in 2001 had de commanditaire vennoot voor dat bedrag een vordering op de beherende vennoot. De commanditaire vennoot slaagde er niet in te bewijzen dat deze vordering in 2001 niet volwaardig was. Hof Den Haag zag geen reden om in 2001 een verlies uit hoofde van de CV te nemen.

Het Hof was van oordeel dat er zich niet eerder dan in 2004 omstandigheden voordeden waardoor van de beherende vennoot geen betaling meer was te verwachten. In dat jaar kon de commanditaire vennoot zijn vordering op de beherende vennoot wel afwaarderen.