Een van de beginselen van behoorlijk bestuur is het gelijkheidsbeginsel. Dat beginsel houdt in dat gelijke gevallen in principe gelijk behandeld moeten worden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet een ongelijke behandeling het gevolg zijn van:
- een afwijking van gevoerd begunstigend beleid,
- begunstiging van een bepaalde andere vergelijkbare belastingplichtige, of
- het in een meerderheid van vergelijkbare gevallen achterwege laten van een juiste wetstoepassing (de meerderheidsregel).
De meerderheidsregel dient als bescherming tegen willekeurige ongelijke behandeling. Voor de toepassing daarvan komen alleen de vergelijkbare gevallen in aanmerking die onder hetzelfde bestuursorgaan vallen als de persoon die zich op de meerderheidsregel beroept. Alleen ten aanzien van die gevallen kan het bestuursorgaan namelijk fouten maken waarop de meerderheidsregel van toepassing is.
Hof Den Bosch wees in een procedure om die reden een beroep op de meerderheidsregel af. Alleen de vergelijkbare gevallen van belastingplichtigen waarin de fiscale behandeling plaatsvond door of namens dezelfde voorzitter van een managementteam van een onderdeel van de belastingdienst waren van belang voor de toepassing van de meerderheidsregel. De belastingplichtige wilde ook andere gevallen in de vergelijking betrekken en voerde aan, dat door de herstructurering van de belastingdienst in 2003 de toepassing van de meerderheidregel niet langer beperkt was tot de inspectie, waaronder de belastingplichtige viel. Dat standpunt is niet juist.