Bij de Hoge Raad zijn meerdere procedures aanhangig over de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) en de mogelijke strijdigheid van deze belasting met het Europese recht. De Advocaat-generaal (AG) bespreekt een viertal zaken. Deze zaken hebben als overeenkomst dat het volledige bedrag aan bpm is geheven bij kortstondig privégebruik van een auto met een buitenlands kenteken door een inwoner van Nederland. Alle bestuurders werden in Nederland aangehouden in de in België of Duitsland geregistreerde auto's van hun partner of een familielid. Het EG-recht verzet zich in principe niet tegen het heffen van een (registratie)belasting op motorvoertuigen. Dat betekent dat de bpm niet in strijd is met het communautaire recht. Dat neemt niet weg dat de belasting op onderdelen in strijd kan zijn met het communautaire recht. De kernvraag in deze procedures is of het Europese recht verhindert dat het volle bedrag aan bpm wordt geheven. Van belang daarvoor is de aanwezigheid van een Europees aspect dat van invloed is op de situatie van de betrokkene. In al deze zaken zit wel een Europees aspect. De AG stelt voor om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie EG.

Het EG-verdrag geeft burgers van de Unie het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. De vraag is of deze bepaling ook betrekking heeft op reizen en verblijven binnen het grondgebied van één lidstaat. De tekst van het verdragsartikel en de jurisprudentie van het Hof van Justitie EG geeft geen uitsluitsel. De AG stelt daarom voor deze vraag aan het Hof van Justitie EG voor te leggen.